door Leo Nierse
28 augustus 2015

Breda telde in 1980 nog 25 bordelen. Anno 2015 zijn het er twee. Het zouden er acht mogen zijn, maar eventuele nieuwe initiatieven op dit (horizontale) vlak ontmoeten bepaald geen aanmoediging van het stadsbestuur. Omdat er bovendien ook voor het beoefenen van legale prostitutie volop alternatieven bestaan, zal het aantal Bredase privéclubs voorlopig wel gelijk blijven.

Het kan verkeren. Ooit wemelde het tussen Mark en Aa van de huisjes van plezier, zoals in elke garnizoensstad vleselijk vertier altijd ruimschoots voor handen was. Het krijgsbedrijf is nou eenmaal met testosteron geladen en waar de oorlogsgod Mars neerstrijkt, blijft liefdesgodin Venus nooit lang afwezig. Dat de rosse buurt van Breda een kleine drie eeuwen rond het Nonnenveld lag, was een grapje van de historie zelf.

Een groep militairen poseert tijdens de Mobilisatie van 1914 bij de Lange Stallen.
Een groep militairen poseert tijdens de Mobilisatie van 1914 bij de Lange Stallen.

Toen graaf Hendrik III van Nassau in de jaren 1530 zijn hofstad Breda uitbreidde met een destijds hypermoderne aarden omwalling, kwam er daarbinnen een hoop nog onbebouwde grond bij. Veelal de braakliggende terreinen aan weerszijden van de einden, de drie nederzettingen die buiten de oude stadsmuren waren ontstaan. Het eerste gebied dat de graaf en zijn stadsbestuur in ontwikkeling namen, lag oostelijk van het Ginnekenseinde (= Ginnekenstraat) en bezuiden het water van de Oude Vest. Daar stond enkel het middeleeuwse norbertinessenklooster St.-Catharinadal. De inrichting van de bijbehorende gronden, het Nonnenveld, begon in 1538 met de bestrating van de zuidoever van het vestwater (Oude Vest) en het inrichten van een nieuwe veemarkt op het Nonnenveld, dat zich van hier helemaal tot aan de zuidoostelijke stadswal uitstrekte. Kwalitatief goede - stenen - huizen verrezen aan de Oude Vest, het Nonnenveld en, vanaf 1544, aan de Keizerstraat, die aanvankelijk nog de nieuwe straat  werd genoemd en niet verder liep dan de kruising met de Akkerstraat (de toen al bestaande verbinding tussen Ginnekenseinde en het klooster).

Ingekwartierde soldaten namen allereerst de vrouwen in bezit

Maar toen brak de Tachtigjarige Oorlog uit en werd alles anders. De geldstroom voor de ontwikkeling van het gebied werd opgeslokt door de oorlogsvoering. De glorieuze hofstad van Hendrik III veranderde in een vaak belegerde, steeds benauwdere vestingstad. Propvol soldatenvolk. Alles stond ten dienste van het garnizoen, inclusief de huizen van de Bredanaars, waarin het familieleven door overmatige inkwartiering compleet ontwricht raakte. Want huurlingen waren rauwe klanten, die de hun toegewezen woningen doorgaans met alles en iedereen daarin letterlijk in bezit namen, de vrouwen als eerste. 

Zomer 1915. Sloop van 16e- of 17e-eeuwse woningen aan de oostzijde van de Keizerstraat. Rechts op de achtergrond de achterzijde Oude Vest, waar ook onbewoonbare woningen stonden.
Zomer 1915. Sloop van 16e- of 17e-eeuwse woningen aan de oostzijde van de Keizerstraat. Rechts op de achtergrond de achterzijde Oude Vest, waar ook onbewoonbare woningen stonden.

De oplossing van dit euvel was het 17e-eeuwse kazerne-embryo de barakken: blokken éénkamerwoninkjes, aanvankelijk van hout, later van steen. In 1630 – de stad was in Spaanse handen – verrezen de eerste exemplaren, de Spaanse barakken: 128 woninkjes in drie langgerekte rijen van elk twee bouwlagen tussen de Oude Vest, Keizerstraat, Akkerstraat en Ginnekenseinde. Daarmee was de kop eraf. En het maakte niet uit of de stad Spaans of Staats was, er kwamen er steeds meer bij, mettertijd óók achter de Boschstraat en de Haagdijk. (In vijftien jaar werden er in de hele stad een kleine 600 gebouwd). De vraag naar ongebonden vrouwen nam exponentieel toe.
Door de bouw van de Baracken Cloosters Erve in 1638 - een jaar na Breda’s herovering door Frederik Hendrik - werden de arme zusters van St.-Catharinadal nog verder ingesloten. De rijen barakken stonden haaks op elkaar aan de west- en zuidzijde van hun klooster. Op de hoek werden die onderbroken door de langwerpige Cortegarde der Peerden, ruiterstallen. In 1646 gaven de nonnen zich gewonnen; ze verkasten naar Oosterhout. Het toenemende rumoer buiten de kloostermuren en de talrijke beledigingen en obsceniteiten die hun vanaf de nieuwe stadswal werden toegeroepen, waren onverdraaglijk geworden. Ook de druk van prins Frederik Hendrik, die in het klooster zijn Illustre School (zeg maar: atheneum) wilde vestigen, speelde een rol. Vanaf 1669 was het kloostercomplex voor dik drie eeuwen militair domein. In het hoofdgebouw kwamen officierswoningen, de kapel werd een hooiloods voor de artillerie en diende ook enige jaren als hospitaal. Aan de Oude Vest kwam in 1664 een stedelijk militair hospitaal (tot 1798), aan de Akkerstraat werden 170 barakken en aan het Ginnekenseinde tien ruiterstallen geplaatst.

De Kloosterkazerne omstreeks 1910, met op de voorgrond, aan de Oude Vest,  de Ruiterwacht (later Gebouw F, nu Stadsgalerij). De foto is uitzonderlijk, omdat het Nonnenveld hierop voor het eerst in bijna vier eeuwen geen bebouwing had. Die situatie duurde van 1906-1926.
De Kloosterkazerne omstreeks 1910, met op de voorgrond, aan de Oude Vest, de Ruiterwacht (later Gebouw F, nu Stadsgalerij). De foto is uitzonderlijk, omdat het Nonnenveld hierop voor het eerst in bijna vier eeuwen geen bebouwing had. Die situatie duurde van 1906-1926.

Maar het werd bezuiden het vestwater pas écht dringen, toen stadhouder Willem III in de jaren 1677-’84 grote wijzigingen in het Bredase vestingstelsel liet doorvoeren. De Ginnekenpoort werd verplaatst en de zuidoostelijke stadswal verzwaard tot dubbele breedte. Dat ging gepaard met woningsloop aan en halvering van het uitgestrekte Nonnenveld, dat door zijn aantrekkingskracht op tippelaarsters en ander louche volk trouwens een steeds kwalijkere reputatie kreeg. In het verlengde van de toenmalige Keizerstraat werd haaks op de Akkerstraat de houten voorganger van de Lange Stallen opgetrokken. Deze Houtte Stalling was meer dan 180 meter lang en ruim twee paardenrijen breed. (In 1776 werden de Lange Stallen in steen herbouwd, de verdieping dateert van 1868).

Een paard was meer waard dan een soldaat

Enkel de bouw van die megastallen betekende al een forse aanslag op de toch al bescheiden leefruimte achter de zuidoostwal. Want het leger placht zijn dure rijdieren hoger aan te slaan dan zijn manschappen en kende ze bijgevolg aanzienlijk meer ruimte toe. Vóór de Lange Stallen lag nu een naamloze weg die de nog altijd korte Keizerstraat verbond met het nieuwe Wapenplein (= oostelijke helft Van Coothplein), dat achter de verplaatste stadspoort werd aangelegd. Het riviertje de Rulle, dat van de Molengracht dwars door de stad naar de Mark stroomde, werd binnen de wal gedempt voor de aanleg van de Stallingstraat. Achter de Lange Stallen kwam een sloot die tevens als open riool diende. Tussen het klooster en de ruiterstallen aan het Nonnenveld (later de Korte Stallen) verrees aan de Oude Vest de Ruiterwacht (het latere gebouw F van de Chassékazerne, nu Stadsgalerij). Plus nóg meer barakken op de zuidelijke Oude Vest. De leefbaarheid verminderde navenant. En die was met al die overbevolkte, vochtige en donkere woninkjes toch al niet groot. De boomplantingen op de wallen in 1683 hadden van de straten erachter echt geen parkjes gemaakt.

De Antwerpse Barakken in de vroegere Gampelstraat  (later: Pelmolenstraat)  behoorden tot aan hun sloop ca. 1912 tot de armoedigste woonkrotten van Breda.
De Antwerpse Barakken in de vroegere Gampelstraat (later: Pelmolenstraat) behoorden tot aan hun sloop ca. 1912 tot de armoedigste woonkrotten van Breda.

Ziehier de omstandigheden waaronder het gebied verwerd tot de rosse buurt van Breda. Natuurlijk was er ook veel prostitutie rondom de barakken in de Gampel. De garnizoensofficieren die de bordeelgang schuwden, hadden hier hun ‘stille’ adresjes. Maar in het exclusief militaire areaal tussen Oude Vest, Ginnekenseinde en de zuidoostelijke stadswal kregen de barakken steeds meer bordelen als (over)buren. Wezenlijk veranderde dit gebutste en gekneusde woon- en werkgebied in de navolgende twee eeuwen ook niet van karakter, of het moest zijn dat gaandeweg ook steeds meer (niet-militaire) armoelijders in de verkrottende barakken kwamen wonen.

Toen op 17 juni 1806 Nederlands eerste koning, Lodewijk Napoleon, kort na zijn benoeming het in feeststemming verkerende Breda bezocht, stonden op de Oude Vest de meisjes van plezier te joelen. Of de vorst niet wat extra manschappen in de stad kon legeren, want de burgerlijke klandizie hield niet over.

Verkrotte woningen aan de westzijde Keizerstraat,  tussen Oude Vest en Akkerstraat, dus op de plek van de latere postkantoren. Gefotografeerd kort voor de sloop in 1913.
Verkrotte woningen aan de westzijde Keizerstraat, tussen Oude Vest en Akkerstraat, dus op de plek van de latere postkantoren. Gefotografeerd kort voor de sloop in 1913.




Wees welkom koning, wees welkom held,

De Keijserstraat en ’t Nonnenveld,
Zijn vercierd met kroonen
Waar al de hoeren woonen.
Verleen Breda goed garnizoen,
Want de burger kan het niet meer doen.
Den Hemel zal ’t U loonen.

Naar verluidt kon het hem luid toegezongen vers de majesteit wel vermaken. Maar als hij zelf geen gevolg aan het verzoek heeft gegeven, dan zijn ‘opvolger’ koning Willem I wel. In die zin dat de verbouwing van het oude norbertinessenklooster tot een ‘moderne’ kazerne in 1814 en de opening van de KMA in 1828 als je reinste groeihormonen voor het plaatselijke bordeelwezen uitpakten. Het gevolg kon niet uitblijven: rond 1850 had acht tot dertien procent van het garnizoen een soa onder de wapenrok. De sloop van de Spaanse barakken in 1865 (het zou eens tijd worden!) deed daaraan niets af.

‘Hoerenpas’ ingevoerd na soa-explosie in het garnizoen

Voordeel van de bordelen was dan weer hun bekendheid en daarmee hun controleerbaarheid. Na die venerische epidemie in het garnizoen werd de hele rosse buurt onder medisch en politietoezicht geplaatst.
De bordeelbazen en hoerenmadammen van de Akkerstraat, Keizerstraat, Nonnenveld, Oude Vest en toenmalige Vingerhoedstraat (die tot 1885 tussen Keizerstraat en Nonnenveld tegen de zuidzijde van de Oude Vest zat aangeplakt), alsook de tussenliggende sloppen en stegen, moesten hun nering bij de gemeente laten registreren. Sterker, van 1857 tot 1911 (toen het nationale bordeelverbod van kracht werd) moesten Breda’s publieke vrouwen zich als zodanig met een gemeentelijk document kunnen legitimeren. Een ‘hoerenpasje’, zogezegd. Niet dat het veel uithaalde, want de wildwest-ontucht rond de Antwerpse barakken, waar geen bordelen bij in de buurt stonden, bleek niet te beteugelen en bleef bijgevolg een bron van besmettingen. 

Toen in 1899 de hypermoderne Chassékazerne openging, liep de Bredase hoerenbuurt ironisch genoeg op haar laatste benen. Geen oorzakelijk verband hier. Het was de sanering van de overmaat aan krotwoningen in deze volledig verpauperde buurt die in de eerste twee decennia van de 20e eeuw een eind maakte aan zowel de mensonterende woontoestanden als de structurele zedenloosheid.

Ingang van de Chassékazerne aan de Vierwindenstraat in de eerste jaren van de vorige eeuw. De kazerne werd opgeleverd in 1899. Op de achtergrond de Koepel, gelegen aan der rand van het militaire terrein.
Ingang van de Chassékazerne aan de Vierwindenstraat in de eerste jaren van de vorige eeuw. De kazerne werd opgeleverd in 1899. Op de achtergrond de Koepel, gelegen aan der rand van het militaire terrein.

Maar nog altijd hield de Keizerstraat op bij de Akkerstraat. Het naamloze weggetje naar het - intussen tot Van Coothplein getransformeerde - Wapenplein was in 1873 weer naar het Rijk overgegaan. De Lange Stallen lagen daarmee op het enorme Exercitieterrein waarop mettertijd de Chassékazerne gebouwd werd. Pas in 1952 herkreeg Breda de grond en kon de Keizerstraat – onder die naam - worden doorgetrokken tot zijn huidige lengte. Tot begin ’54 liep het kazernehek nog dwars over de straat naar de Lange Stallen.

Lees hier alle verhalen van Leo Nierse.