door Leo Nierse
5 juni 2015

In zwembad Wolfslaar klotst een zee van tijd. Een halve eeuw zwemwater, om precies te zijn. Toen het publiek daar op zaterdag 5 juni 1965 voor de eerste keer indook, dompelde het zich onbewust ook in een nieuw tijdperk onder.

Een grote attractie was de driedubbele hoge glijbaan in het grote bassin.

Een tijd van grote sociale veranderingen, nieuwe maatschappelijke inzichten, vrijere zeden. De Wederopbouw was voltooid; twee decennia na de Tweede Wereld Oorlog brak de grote welvaart aan en Breda ging daar vanzelfsprekend in mee. Dat de 118.000 zielen tellende stad een dergelijk hypermodern recreatie- en watersportcomplex in gebruik kon nemen, werd als een sensatie beleefd. Drie betegelde zwembassins, sport- en speelweiden, een restaurant met terras, een kano- en een waterfietsenvijver. Zwembad Wolfslaar was groot nieuws in Breda. Het bevestigde dat na de jarenlange naoorlogse schaarste de overvloed was aangebroken. En dat niet alleen. Terzelfdertijd voelden mensen hun persoonlijke vrijheid toenemen. Niet langer hoefde vermaak bovenal, zo niet uitsluitend ‘nuttig’ te zijn; ontspannen werd genieten. Bovendien was ook de krampachtige scheiding der seksen verleden tijd, niet alleen in het water, maar ook op de ligweide. De komst van Wolfslaar markeerde het ontwaken van die nieuwe tijdgeest.

Drie weken na de feitelijke ingebruikname (6 juni) hijst burgemeester Geuljans van Breda op zaterdag 26 juni 1965 een vlag bij wijze officiële opening.

De explosieve bezoekersaantallen spraken voor zich. Breda rénde gewoon het nieuwe zwemwater in! In de drie weken die voorafgingen aan de officiële opening door burgemeester Geuljans, op zaterdag 26 juni, stroomden de bassins en zonneweiden vol met tienduizenden Bredanaars. De Wolfslaargazons waren in die paar weken al finaal kaal gesleten en moesten in allerijl opnieuw worden ingezaaid. De hypermoderne transistorradiootjes waren alom tegenwoordig. De popmuziek van de al even sterk opkomende piratenstations in de Noordzee schetterden over de ligweide. Onverwoestbare tophits als Wooly Bully’ (Sam the Sham & the Pharaos),  Mr. Tambourine Man (the Byrds),  Roadrunner  (the Pretty Things),  Bring It On Home To Me  (the Animals) en Set Me Free  (the Kinks) begonnen precies in diezelfde juniweken van ’65 aan hun nooit geëindigde zegetocht door eerst de hitparade en sindsdien de Arbeidsvitaminen en de Top 1000 Aller Tijden. Want ook tophits schrijven geschiedenis. En wat daar op die zonneweide ook vele malen per dag voorbij kwam was The Birds and the Bees  van Jewel Akens, de langst genoteerde tophit van dat jaar, die het jonge volkje even zo vaak attendeerde op de aangebroken seksuele revolutie. Wat die transistortjes betreft, zat de burgemeester er dus wel naast, toen hij in zijn openingsspeech de driehonderd genodigden voorhield dat ‘het specifieke’ van Wolfslaar was “dat íedere mens, van kleuter tot bejaarde, hier geheel tot rust en ontspanning [kon] komen” . Maar de overige superlatieven waarmee Geuljans de nieuwe topattractie karakteriseerde – “niet zomaar een zwembad, nog minder een soort lunapark, maar een echt lustoord in de beste betekenis van het woord” en: “een prachtige, toeristische burcht van gezondheid” – waren in dat beginstadium van modernisering niet echt misplaatst, hoogstens wat gezwollen. Bovendien sprak er opluchting uit de toch weinig fantasievolle speech van de eerste burger. Want de bestuurlijke aanloop naar de opening van Wolfslaar duurde niet minder dan dertig jaar. In de jongste (67e);editie van het jaarboek van De Oranjeboom doet de Bredase historicus Frans Gooskens (59) die lange voorgeschiedenis haarfijn uit de doeken. Inclusief al die ouderwetsheid waarmee de Sixties  korte metten hebben gemaakt.

Zicht op het gloednieuwe zwembad vanaf het hoger gelegen horeca terras.

Gemengd zwemmen, dat werkte maar zedenverwildering in de hand. Die katholieke vrees heeft in Zuid-Nederland het onbezorgde familiezwemmen (veel te) lang onmogelijk gemaakt. Terwijl de seksen boven de grote rivieren onbekommerd samen rond plonsden, kende zelfs een behoorlijk liberale stad als Breda nog tot eind 1954 een verbod op gemengd zwemmen. Zo werden de bezoekers van openluchtbad ’t Ei door niets minder dan een betonnen muur van elkaar gescheiden. Wat dat betreft had het vooroorlogse ‘Comité van actie tegen zedenverwildering in Noord-Brabant’ bepaald geen half werk geleverd.

Open en bloot zonnebaden door personen van boven de 12 jaar gold in Breda tot 1957 zelfs als dermate schaamteloos, dat de algemene politieverordening dit gevreesde vleselijk vermaak niet explicieter dan als ‘gemengd oeververkeer’ omschreef. Wat eigenlijk nog veel suggestiever was. 

Vooruitstrevende plaatselijke politici hadden menig naoorlogs raadsdebat aangewend om het familiezwemmen te promoten. Zo had de liberale advocaat Edzo Toxopeus (de latere minister van Binnenlandse Zaken, maar indertijd nog gemeenteraadslid)  eens snedig geargumenteerd dat “de gastvrije Bredase bossen”, waar iedereen vrijelijk toegang toe had, “meer kansen op zedenbederf boden dan de zwembaden.” Maar de katholieke raadsmeerderheid bleef zo lang mogelijk op de rem trappen. Die vond mannen in niet meer dan een zwembroek, vrouwen met rugloze badpakken en onbedekte kleuterborstjes al veel te naakt. Zo was er de katholieke politica mevrouw Koppelaar, die een vrij toegankelijk zwembad niet van een poel des verderf kon onderscheiden. Wellicht geïnspireerd door haar eigen familienaam, zag zij de beide geslachten zich al op elkaar storten. “Eerbaarheid en kuisheid gedijen niet op de open markt des levens”, betoogde ze. “In de zwembaden wordt de zelfbeheersing van jongens en meisjes onmenselijk zwaar op de proef gesteld.”

Toch kreeg de vernieuwing ook vat op de KVP. In 1955 gaven de bisschoppen namelijk hun verzet tegen het gemengd zwemmen op en de Katholieke Sportbond beschouwde de scheiding der zwemmende seksen ook niet langer als een principiële zaak. Met de fatsoensrakkers nu in de minderheid, wijzigde het gemeentebestuur zijn beleid. Sport en recreatie werden gestimuleerd. Concrete uitkomst: de ontwikkeling van een eigen gemeentelijk zwembad (Wolfslaar; tot dan toe waren de baden particuliere ondernemingen) en een dito sporthal (De Scharen, geopend in 1966).

‘Bromnozems’ in de Tulpenstraat, eerste helft jaren’60.

De ontwikkeling van de beide sportaccommodaties past nog in een andere context. De nieuwe inzichten ten spijt, werd de jonge generatie nog steeds als problematisch beschouwd. In de jaren’50 kwam in het geïndustrialiseerde en verstedelijkte Westen de jeugdcultuur op en de oudere generaties waren daar niet gerust op. Die jongeren groepten maar ‘ongezond’ samen op straat, in dancings en bioscopen, scheurden rond op brommers met doorboorde uitlaten, onderscheidden zich met vetkuiven en bakkebaarden (‘tochtlatten’) en verloren zich in jazz of rock-‘n’-roll (door hun ouders zonder onderscheid ‘jes’  genoemd). En of dat nog niet erg genoeg was, vreesden paps en mams ook nog eens voor de eerbaarheid van hun dochters. Kortom, besloot de overheid: sport moest de jeugdige ‘ledigheid’ bestrijden. In Breda kwam dat simpel gezegd neer op: Leer die nozems zwemmen!

 

Bezoek voor meer informatie omtrent het artikel van Frans Gooskens de website van heemkundige kring ‘De Oranjeboom’. Kijk voor meer foto’s van het zwembad in de beeldbank van het stadsarchief.

Lees hier alle verhalen van Leo Nierse.