door Leo Nierse
10 juli 2017

Deel 2 vertelde het verhaal van Cornelis Jan Wouter Nahuys, de man die met de bouw van het landhuis de Burgst tot een woonplek maakte. Tevens de man van wie geen portret is overgeleverd. Maar er was nog een tweede Nahuys van Burgst: zijn neef en opvolger Huibert Gerard en een landelijke bekendheid.

Eén van de twee zeegezichten die C.C. Kannemans in opdracht van baron Nahuys voor de centrale hal van het landhuis schilderde. De twee schilderijen zijn op hun plek gebleven tot ze in 2011 geveild werden. (Ships caught in rough waters; © Christie's Images Limited 2011)

Bewierookte vaderlander neemt intrek op Burgst 

De jurist mr. Huibert Gerard Nahuys (1782-1858) was een indrukwekkende figuur. Anders dan zijn voorganger was hij van adellijke geboorte. Hij droeg de titel baron, maar ook die van generaal-majoor. Bovendien droeg hij een met hoge onderscheidingen behangen generaalsuniform en was ie sowieso een heel stuk ijdeler dan de eerste Nahuys van Burgst. Hoe dan ook, is er in al die eeuwen geen imposantere heer van Burgst geweest.

Bij ‘H.G.’ geen gebrek aan nagelaten portretten noch aan autobiografische notities. Baron Huibert zorgde er wel voor dat hij herinnerd zou worden. Anders dan neef Cornelis, mocht hij zich ook graag in het openbaar manifesteren – tot in koninklijke paleizen toe. En voor het geval zijn vele roemrijke koloniale activiteiten niet voldoende in het vaderland zouden zijn opgemerkt, documenteerde hij die in een reeks publicaties en een (postuum uitgebrachte) autobiografie. Veel van die egodocumenten schreef hij toen hij zich eenmaal op Burgst had gevestigd. Want ook na zijn pensionering bleef de baronale generaal beschikken over een overmaat aan energie en geldingsdrang.

Postuum geschilderd galaportret van mr. Huibert Gerard baron van Nahuys, in het uniform van generaal-majoor titulair (uit Collectie Rijksmuseum)

Hoe kwam Huibert Gerard in beeld als opvolger van zijn kinderloos gestorven neef? We keren nog even terug naar de weduwe Nahuys-Crul.

Het heeft er veel van weg dat Anna het zelf heeft geregeld. Zoals in het vorige deel al gemeld, wilde zij kleiner gaan wonen - in ‘Princenhage-dorp’. Nadat zij in 1836 de kostbare collecties van wijlen haar man had laten veilen, benaderde ze haar aangetrouwde nicht Ellen Hodgson (1802-’75). Deze jonge Engelse freule, geboren op een van de vele robuuste kastelen in het graafschap Cheshire (noordelijk van Wales), was de derde echtgenote van baron Huibert Gerard Nahuys. Het paar, dat december 1828 in Londen was gehuwd, scheelde 20 jaar in leeftijd. De jonge vrouw (24) volgde haar gedistingeerde echtgenoot naar Midden-Java, waar zij hem een zoon schonk. Na hun terugkeer naar Nederland vestigde het gezinnetje zich in het Twentse Markelo, waar twee meisjes werden geboren. De jongste was nog geen twee jaar, toen Anna haar voorstel deed: Of het adellijke koppel er niet voor voelde met zijn drie koters zijn intrek op Burgst te nemen. Ja, dus.

Eigenlijk kwam Anna er een beetje laat mee aanzetten. De onblusbare neef van wijlen haar man was, niet gehinderd door zijn pensionering in 1831, zojuist voor de vijfde keer naar de Oost vertrokken. Hij had geen weerstand kunnen bieden aan de eer om als lid van de Raad van Nederlands-Indië terug te keren naar de kolonie waar al hij zo luisterrijk carrière had gemaakt.

De avontuurlijke jurist, een geboren hoofdstedeling die zowel van vaders als moederskant uit eeuwenoude Duitse, Nederlandse en Franse adelgeslachten stamde, was in 1805 aan zijn loopbaan begonnen. Hij was doctor in de rechtswetenschappen en bekleedde ambtelijke functies aan het Hof van Holland. Maar Huibert, die ook niet van handelsgeest verstoken was, droeg liever een sabel dan een toga. Zijn hart ging uit naar het slagveld, niet naar de juridische strijd in de rechtszaal. Zo zeer, dat hij zich menigmaal als onbezoldigd vrijwilliger voor militaire actie aanmeldde. Hij vocht tegen de Engelsen, tegen Javaanse struikroversbenden en streed zowel vóór als tegen Napoleon – wat in die jaren trouwens niet bepaald ongebruikelijk was (windvanen, werden destijds de hoge ambtenaren en militairen genoemd die zonder scrupules de ene voor de andere overheidsdienst verruilden). 

Landhuis Burgst op een 19e-eeuwse prentbriefkaart

Zo werd Huibert Nahuys eerst wegens zijn militaire verdiensten eerst door Napoleon opgenomen in het Legioen van Eer en sloeg koning Willem I hem enige jaren later tot Ridder in de Militaire Willems-Orde (4e Klasse), omdat hij zo’n manmoedig aandeel had gehad in Napoleons ‘Waterloo’ (1815). Dat gebeurde trouwens op voordracht van zijn commandant, generaal David Chassé, eveneens een windvaan. (Chassé was in 1810 door Lodewijk Napoleon tot baron verheven).

Vier maanden na Waterloo reisde majoor Nahuys, alweer op eigen kosten, naar Indië om het Nederlandse machtsherstel (na Napoleon) in de kolonie voor te bereiden. De resultaten die hij daarmee boekte, leidden tot zijn aanstelling als resident aan het hof van Jakarta op Midden-Java. Ook voor de belendende vorstendommen Yogjakarta en Soerakarta werd hij als commissaris en resident aangesteld. In dat laatste vorstendom fungeerde hij in 1820 zelfs tien dagen als keizer ad-interim (Huibert Nahuys en paleizen, een terugkerend thema). Later vocht hij dan weer in de Java-Oorlog (1825-’30), samen met de Atjeh-Oorlog de hardste en bitterste koloniale oorlog in de Nederlandse geschiedenis van vóór WO II.

Links: Generaal David Hendrik baron Chassé (1765-1849) bezorgde majoor Huibert baron Nahuys in 1815 de Militaire Willems-Orde – 4e Klasse. Koning Willem I had de ridderorde – wegens betoonde moed, beleid en trouw - eerder dat jaar ingesteld. Rechts: 19e-eeuwse gravure van de baron-generaal Nahuys van Burgst, gedecoreerd als drager van o.m. de Militaire Willems-Orde 4e Klasse, commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw en ridder van het Legioen van Eer.

Zijn dubbelloopbaan in de Oost bracht baron Nahuys onder meer de koninklijke benoeming tot Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw, als ook de titulaire rang van luitenant-generaal.

Drie jaar na de ‘damestransactie’ van 1836 - die vanzelfsprekend niet zonder zijn fiat tot stand kan zijn gekomen - keerde de nieuwe heer van Burgst dan toch eindelijk definitief terug naar het vaderland, al was daar nog wel een ziekte voor nodig. Hij voegde zich bij vrouw en kinderen en bleef tot zijn dood in 1858 ‘Kasteel Burgst’ bewonen.

Dat baron Nahuys van Burgst een ego in de grote herenmaten bezat, kon ook kroonprins Willem Frederik - na 1840 koning Willem II - onmogelijk ontgaan. Daar had de baron uiteraard zélf wel voor gezorgd, zo blijkt uit de recente koningsbiografie van Jeroen van Zanten (2013). De zeer Oranjegezinde Nahuys, die evenals de prins in 1815 onder Wellington tegen Napoleon had gestreden, drong zich nogal aan de vorst op. Dat was nog tot daaraan toe. Maar Nahuys, die zelf als volstrekt integer gold, besefte in zijn ijdelheid niet dat hij al sinds zijn Indische jaren met dubieuze lieden in contact stond. Als vriendendienst introduceerde hij relaties aan het hof die weet hadden van Willems talrijke (bi)seksuele escapades en soms ook van diens verborgen politieke machinaties. Mannen die hun bezwarende kennis meermaals zouden verzilveren door de kroonprins geld en gunsten af te dwingen; en van wie de brutaalsten hem ook na zijn kroning bleven kwellen.

Links: Koning Willem II Rechts: De buste die baron Huibert Nahuys van Burgst van zichzelf aan ‘zijn’ handboogvereniging Sint-Sebastiaan schonk.

Baron Nahuys – die zelf al jarenlang van de prinselijke hoed en de rand wist, maar daarover een onbaatzuchtig stilzwijgen bewaarde - opende argeloos de paleisdeuren voor ten minste drie chanteurs. Dat heeft de vorst kapitalen en veel doorstane angsten gekost. Sowieso vond Willem de fatsoenlijke Nahuys tegelijk één van ‘die bemoeiallen’ met wie hij maar bleef opgescheept, wanneer hij  zich één keer met hen had ingelaten. Daar stond tegenover dat de baron zijn vorst - zonder daarvoor een tegenprestatie te verlangen - hielp diens afpersers af te kopen en nieuwe of  herlevende oude  geruchten de kop in te drukken. Nahuys verlangde daarvoor geen tegenprestatie. De eer was zijn beloning. Alhoewel hij zich later in zijn memoires alsnog tekort gedaan toonde.

Ondertussen heeft Princenhage nog veel plezier van zijn kasteelheer gehad. Want de generaal die inlandse keizerrijken had bestierd, was niet te beroerd zich ook op dorpsniveau verdienstelijk te maken. Heel anders dan zijn voorganger was de ‘nieuwe’ Nahuys al snel een geziene figuur in de plattelandsgemeenschap waarin hij was neergestreken. Zo wierp hij zich op als levenslang beschermheer van de in 1847 opgerichte handboogvereniging Sint-Sebastiaan. Op zijn landgoed liet hij vaak schietschijven opstellen, waarmee de leden zich verder konden bekwamen en ook werden er wedstrijden op Burgst gehouden. Dat wierp al snel vruchten af, niet alleen voor de vereniging, maar zeker ook voor haar beschermheer. Want de Beekse schutters schopten het al in hun eerste lustrumjaar tot kampioenen van een groot landelijk toernooi dat in 1851 op de terreinen van paleis ’t Loo werd gehouden. Organisator van die nationale krachtmeting was namelijk niemand minder dan de hoofdbewoner, de jonge koning Willem III. Voorwaar een uitstekend ‘doelwit’ voor de Oranjegezinde baron, wiens relatie met het hof twee jaar eerder met de dood van Willem II was geëindigd.

19e-eeuwse wapen van schutterij St.-Sebastiaan

De baron pakte dan ook uit in stijl. Met het puikje van ‘zijn’ schutters aan boord, reed Nahuys in een door twee paarden getrokken koets van Burgst naar Apeldoorn. Op naar de nieuwe koninklijke hoogheid. En de mannen van Sint-Sebastiaan lieten hun beschermer niet voor paal staan. Wat heet, de Bekenaren lieten zo’n 260 collega-verenigingen achter zich, door als eerste korps te eindigen en tevens de eerste personeelsprijs te bemachtigen. Voor Nahuys in zijn nadagen was het natuurlijk een schot in de roos. De generaal beloonde zijn manschappen met de schenking van een vaandel en – geheel in stijl – een buste van hem zelf. 

Tot de dag van heden houdt Sint-Sebastiaan dat vaandel in ere en ook de buste heeft de club lang gekoesterd. Het stond meer dan een eeuw te pronk in café Marktzicht, de thuishaven van de vereniging. In recente jaren is het konterfeitsel opgenomen in de collectie van heemkundig museum De Rijf

’s Mans culturele interesses gingen verder. Als een mecenas nam Nahuys de Bredase schilder  (en latere fotograaf) Christiaan Cornelis Kannemans (1812-1884) onder zijn hoede. Hij stimuleerde  de kunstenaar artistiek en financieel. Liet hem twee wand-vullende schilderijen voor de centrale hal van zijn landhuis vervaardigen (die er tot begin deze eeuw  zijn blijven hangen) en  financierde Kannemans’ studiereizen langs de Nederlandse, Franse en Engelse kust.

Christiaan Cornelis Kannemans (1812-’84) vond als kunstschilder zijn mecenas in baron Nahuys.

Naast zijn vele activiteiten zag de tweede Nahuys van Burgst ook nog kans zijn pen veelvuldig in de inkt te dopen. Vanaf 1826 publiceerde hij artikelen voor wetenschappelijke tijdschriften en schreef hij militaire beschouwingen en reisverslagen over Nederlands-Indië en het Verre Oosten. Een van zijn Indiëpublicaties werd naar toenmalige begrippen zelfs een bestseller.

Zijn memoires, opgetekend in 1852 maar pas na zijn dood uitgegeven, verhoogden zijn status aanvankelijk eens temeer, maar deden er na verloop van tijd juist afbreuk aan. Een nieuwe generatie historici kwam tot de slotsom, dat de baron-generaal zijn leven en werken te zeer geromantiseerd had, om de gememoreerde feiten nog als betrouwbaar te kunnen aanmerken. Ondanks zijn statuur en vele verdiensten voor de natie, is generaal-majoor Huibert Gerard baron Nahuys van Burgst toch in de coulissen van de vaderlandse geschiedenis beland. Zijn naam wordt nog maar zelden genoemd en zelfs in het chauvinistische Breda wordt hij niet tot de grote stadgenoten gerekend.

Ergens wringt dat toch. Hij mag dan met zijn ijdelheid zijn eigen ruiten hebben ingegooid, maar zelfs de uitgekookte kermisgast Dries van Kuijk - die onder het gejatte pseudoniem Colonel Parker Elvis Presley grootmaakte én bezwendelde - geniet onder Bredanaars grotere faam.

In de ochtendschemering van dinsdag 12 januari 1858 trof Ellen Hodgson haar 75-jarige echtgenoot vredig ingeslapen naast zich in bed aan. Ze overleefde haar echtgenoot met zeventien jaar. Het echtpaar ligt begraven op Haagveld (protestants Zuilen), op nog geen steenworp afstand van de gietijzeren tombe van de eerste Nahuys van Burgst.

Links: Toen toenmalig stadsarchivaris dr. Frans Brekelmans in 1977 de dubbelzerk fotografeerde, stond er nog het oorspronkelijke smeedijzeren hek omheen. Rechts: De brede grafzerk van het echtpaar Nahuys-Hodgson op begraafplaats Haagveld ligt op een steenworp afstand van de gietijzeren tombe waaronder de eerste Nahuys van Burgst rust (foto Leo Nierse).
Links: Toen toenmalig stadsarchivaris dr. Frans Brekelmans in 1977 de dubbelzerk fotografeerde, stond er nog het oorspronkelijke smeedijzeren hek omheen. Rechts: De brede grafzerk van het echtpaar Nahuys-Hodgson op begraafplaats Haagveld ligt op een steenworp afstand van de gietijzeren tombe waaronder de eerste Nahuys van Burgst rust (foto Leo Nierse).

Veruit het hardnekkigste levenssouvenir van de goeddeels vergeten generaal is uiteindelijk het bamboe in de vijver van Burgst. Als de overlevering klopt, dan leeft de eertijdse houwdegen tenminste voort in het onuitroeibare gewas dat hij in 1839 uit de Gordel van Smaragd heeft meegebracht. Baron Bamboe.

Wordt vervolgd...

Lees hier alle verhalen van Leo Nierse.