door Leo Nierse
3 oktober 2017

Vijftig jaar geleden was op het destijds gloednieuwe Belgiëplein de H.-Franciscuskerk  in aanbouw. Nu, najaar 2017, is dit het enige overgebleven rooms-katholieke gebedshuis in heel Breda-Noord. 

foto1
De H.-Franciscuskerk, baken van Biesdonk, in de jaren 1970

Hier - en in de (protestantse) Lucaskerk in de Haagse Beemden - kerken sinds de één na laatste parochiale fusie van november 1999 alle RK-gelovigen van ‘boven het spoor’ , waar ze ooit verdeeld waren over vijf zelfstandige parochies met elk hun eigen godshuis. Sedert de jongste fusie, van juli 2013, is Breda-Noord op zijn beurt, samen met Teteringen en Breda-Oost, opgegaan in de H.-Augustinusparochie.

De snelle, sterke krimp van het traditionele kerkelijk leven in onze noordelijke stadswijken is natuurlijk allerminst uniek. In de huidige constellatie telt heel Breda nog maar drie (fusie)parochies en ook dat is op zichzelf maar één voorbeeld van de van de grootschalige secularisatie in ons deel van de wereld. Maar de teloorgang van de eertijdse H.-Franciscusparochie – een geloofsgemeenschap die zich tegenwoordig als parochiekern aanduidt – kan naar aanleiding van het actuele bestaansjubileum wel als model dichtbij huis dienen. Te meer daar het huidige jubileum niet het einde van de ‘krimp’ betekent.

Het ‘gouden’ kerkgebouw staat nog altijd fier overeind als het baken van Biesdonk. Maar de zelf ook weer qua ledental slinkende Augustinusparochie heeft besloten de kerkzaal aan een projectontwikkelaar te verkopen, teneinde de maandelijkse energienota (à 1400 euro) te kunnen blijven voldoen en een urgente dakreparatie uit te voeren. De toekomstige eigenaar, zo is althans het idee, zal de zaal inwendig tot appartementencomplex (met low-budget studio’s) verbouwen. De praktiserende parochianen kunnen dan voor hun zondagse vieringen uitwijken naar het aanpalende, eventueel uit te bouwen gemeenschapshuis Biesdonk, dat eigendom van de parochie blijft. (Doordeweeks blijft het buurthuis dan voor wijkactiviteiten beschikbaar).

Na de jubileumviering hakken het parochie- en kernparochiebestuur volgend jaar de knoop door - precies een halve eeuw na de kerkwijding,
Hoe anders was het vijf decennia geleden. Weliswaar had de ontkerkelijking zich toen al gemanifesteerd, maar in het fors doorgroeiende Breda-Noord van medio jaren’60 heerste nog groot optimisme .

Bouwpastoor Frans Wolterink, een Achterhoeker in Brabant.

Heilig-Hartpriester Franciscus J. Wolterink (1915-’75) was zo’n optimist. En hij had zijn voornaam ook nog mee. Bisschop Gerard de Vet had de 49-jarige geestelijke tot bouwpastoor benoemd van de door hem op 10 augustus 1964 opgerichte parochie. De ‘Belgische buurt’ - ingesloten door de Nieuwe Kadijk, Doornsboslaan, Zwartedijk en Terheijdenseweg – was volop in aanbouw en met een potentieel van 7000 parochianen rekende de kerk zich al rijk. Het zouden er slechts iets meer dan de helft worden, maar pastoor Wolterink geloofde de prognose van de kerkleiding en juichte in de regionale pers dat hij voor zo’n ‘abnormaal groot aantal’ gelovigen ‘een grote kerk met dik 900 plaatsen zou moeten bouwen’. ‘Twee of zelfs drie kleinere kerken’ leek hem eigenlijk beter, ‘maar dat is financieel niet haalbaar’ (Brab. Nwsbl.- 24 dec.’64).

Het bisdom hield het aantal benodigde plaatsen in de toekomstige zaalkerk-met-toren (plus parochiezaal en pastorie) op achthonderd. Februari ’67 begon de bouw en op 8 juni kon de eerste steen worden gelegd.

De pionierende parochianen kerkten in een gammele schaftkeet

Maar voor het zover was, moest er eerst flink geïmproviseerd worden in de door nog slechts vier gezinnen bewoonde nieuwbouwwijk. Gepionierd is een beter woord. Speurend naar mogelijkheden voor een voorlopige gewijde ruimte, praatte de doortastende bouwpastoor bij aannemer Zeebregts het zondagse gebruik van een doordeweekse schaftkeet aan de Charleroistraat los. In die afgetrapte, door ratten drukbezochte, maar dankzij een kanon van een oliekachel drooggestookte ruimte droeg Wolterink op de laatste oktoberzondag van 1964 bij een provisorisch altaar voor 33 gelovigen de eerste H.-Mis in de Biesdonk op – volgens de nieuwe liturgie van het Vaticaans Concilie, dus in het Nederlands.

Een paar fraters van het toenmalige seminarie Liesbosch hadden er elk weekend de handen vol aan, om de telkens weer ontstellende bende in de smerige keet tot een propere gebedsruimte om te toveren en na de vieringen als schaftlokaal her in te richten.

Privé zat meneer pastoor, die zich zolang als godsdienstleraar met een schamel 10-urencontract in leven hield, er toch nog net wat rianter bij. De gemeente had hem binnen twee weken na zijn aanstelling al aan woonruimte in de fonkelnieuwe Maaseikstraat (nr. 17) geholpen. De naar Brabant afgezakte eerwaarde – een (in Meddo) geboren Achterhoeker, die via Nijmegen in de Randstad was beland – zag hierin opgetogen ‘het bewijs dat ook de overheid hier katholiek denkt’.

foto3-4
Links:Het tweede noodkerkje van de H.-Franciscusparochie verrees in augustus’65 aan de rand van de bouwput op het Belgiëplein. Na de ingebruikname van de kerk zou het nog geruime tijd dienstdoen als noodpostkantoor (foto uit mei 1968). Rechts: Het nog embryonale kerkkoor(tje) zingt in de noodkerk.

Drie weken na de kerstviering in het met een honderdtal Biesdonkers volgepakte schaftlokaal – de meesten stonden náást het altaartje in plaats van zittend ervoor en de rest stond buiten - kwam op 13 januari ’65 het ministeriële fiat voor de parochie-oprichting af. Met die rechtspersoonlijkheid kon de H.-Franciscusparochie onder meer financiële verplichtingen aangaan. Intussen werden in hoog tempo hele straten uit de poldergrond gestampt; de huizen vulden zich even snel met jonge gezinnen en bijgevolg bleef ook de toeloop in het noodkerkje aanzwellen. Na de eerste maand zag meneer pastoor zich genoopt twee zondagsmissen te celebreren, maar weer een maand later stonden opnieuw kerkgangers buiten de mis bij te wonen. Er vormde zich zelfs al een kerkkoor en iemand regelde een orgeltje voor de begeleiding..

Maar de genesis van de Biesdonkparochie was nog maar halverwege. Kort voor de bouwvak van ’65 moest de aannemer de schaftkeet afbreken. De parochieleiding en het bisdom hadden tijdig plan B klaarliggen. Begin augustus verrees naast de toekomstige bouwput op het Belgiëplein een écht noodlokaal, met 400 zitplaatsen. Dat vergde een investering van 29 mille (in guldens), die door het bisdom werd voorgeschoten. Voor dat geld begon het er al aardig op te lijken: behalve met het benodigde aantal stoelen, werd de gebedsruimte gevuld met een provisorisch altaar, nooddoopvont, godslamp en wierookvat en zelfs gasverwarming. Op 15 augustus, Maria Hemelvaart, volgde de definitieve parochie-oprichting.

Najaarsstormen bliezen de noodkerk 20 centimeter van haar plaats

Dankzij een genereuze donatie van een hoofdstedelijke parochie plús de opbrengst van een grootscheepse oud-papierinzameling in het najaar – met meerdere vrachtwagens gingen de vrijwilligers door de toenmalige Hoge Vucht – kon de noodkerkinventaris nog voor de kerst met een elektronisch orgel worden uitgebreid. Die gasverwarming had toen al bewezen allesbehalve een overbodige luxe te zijn. De enkelwandige keet hield de kou niet buiten. De constructie was bovendien gammeler dan verwacht. De najaarsstormen zagen kans de kerk liefst 20 centimeter te verschuiven, terwijl het dak zorgwekkend klepperde.

Nog altijd staat naast de kerk ‘Het meisje met de gieter’ van altaarontwerper Gerard Heman (1967).

1966 was ook het jaar waarin de jonge parochie duidelijker contouren kreeg. Het kerkbestuur werd met twee vrouwen uitgebreid, in mei verscheen het eerste parochieblad en een twintigtal vrijwilligers stroopte de nieuwbouwstraten (1920 gezinnen, 885 kinderen) - af om parochiebijdragen te werven. Dergelijke collectegelden kwamen goed van pas; immers de parochie stak zich met onder meer de aankoop van bouwgrond voor de kerk voor 155.000 gulden in de schuld. Bouwpastoor Wolterink droeg intussen architect S. Steeneken uit Assen bij de bisschop voor als ontwerper van kerk en pastorie.

Veel meer dan de start van de kerkbouw maakte mgr. De Vet niet meer mee. Op paasmaandag 27 maart 1967 stierf de prelaat onverwacht op 49-jarige leeftijd. Zijn opvolger, mgr. Hubertus Ernst , die 17 december van dat jaar tot (achtste) bisschop van Breda was gewijd, consacreerde de St.-Franciscuskerk op 21 april 1968.

De pastorie was vijf maanden tevoren al in gebruik genomen, op 25 november ’67. Hoofdbewoner pastoor Wolterink nam het beeldje Meisje met gieter mee dat hij bij zijn 25-jarig priesterjubileum in oktober van zijn parochianen had gekregen. Het beeldje, dat evenals het altaar door de Duits-Nederlandse kunstenaar Gerard Heman (1914-’92) uit Rotterdam was vervaardigd, staat nog altijd naast de kerk. Na de voltooiing van het kerkgebouw bleef de noodkerk er trouwens nog geruime tijd naast staan – het ging dienstdoen als noodpostkantoor. Hemans altaar maakte bij de interieurrestauratie van 1999 plaats voor het H.-Kruisaltaar, en is sindsdien zoek.

Het optimisme van de pioniers duurde maar een paar jaar

foto8
Pastoor Henk van Zandwijk in het oorspronkelijke kerkinterieur (1990).

Het optimisme uit de pioniersfase bleef niet duren. Al in 1973 moest de parochie de gestaag afnemende kerkgang vaststellen. Van de intussen 4800 parochianen praktiseerde nog maar een vijfde. Het aantal vieringen in het weekend werd van vijf naar drie teruggebracht. Vier jaar later was er nog één geestelijke in de parochie werkzaam, H.-Hartpater H. Manders, die in september ’75 de overleden pastoor Wolterink had opgevolgd. De nieuwkomer ontpopte zich tot motor van bestuurlijke vernieuwing (kerkbestuur en parochieraad werden vervangen door parochiebestuur en parochievergadering). Maar toen Manders in januari ’79 vertrok, had de Franciscusparochie nog slechts een weekendpastoor over, de uit Mozambique teruggekeerde missiepater A.Verdaasdonk.

De komst van congregatiegenoot Henk van Zandwijk later dat jaar verzekerde de parochie voor langere tijd van een nieuwe, fulltime leidsman. In aanvulling op zijn voorganger bleek pastoor Van Zandwijk een stimulator van geloofsinhoudelijke vernieuwing. Twee dagen na zijn officiële intrede (13 mei ’79) herstelde hij prompt het rozenkransgebed in ere. Ook stelde hij wekelijkse bidstonden in. Onder Van Zandwijks vigeur groeiden de oecumenische contacten met de protestantse gelovigen in de Hoge Vucht – die al sinds maart ’68 in de Franciscus kerkten - vanaf 1983 verder uit tot een steeds nauwere samenwerking.

foto
Bisschop Ernst dient Bob Brouwers het H.-Vormsel toe (1987).

Binnen de eígen kerk werd tweede helft jaren ’80 de noodzaak tot parochiale samenwerking in Breda-Noord almaar dringender gevoeld. Niet enkel om de terugloop van het kerkbezoek, de uitdunning van de klerikale gelederen en de liturgische consequenties daarvan, maar zeker ook om de financiële gevolgen. Het onderhoud van de kerkgebouwen werd voor de vijf ‘bovenspoorse’ parochies een steeds grotere last. De Goede-Herderparochie had om die reden al in 1980 haar gebedshuis aan de Baliëndijk aan volleybalvereniging Brevok verkocht. (Als geloofsgemeenschap vond ze onderdak bij de Christus-Koningparochie in de Belcrum; het kerkgebouw zou van 1986-2003 als sporthal dienstdoen). Voor de overige vier was de toekomst nauwelijks minder somber.

Weliswaar registreerde de Franciscusparochie in ’89 een plotse, kortstondige groei van het aantal gelovigen als gevolg van wat additionele nieuwbouw in de wijk, maar een fundamentele ommekeer in de ontwikkelingen bracht dat natuurlijk niet teweeg. In 1990 voorzag het bisdom op grond van solide berekeningen, dat in de komende vijftien jaar Breda-Noord hooguit twee kerkgebouwen over kon houden, en waarschijnlijk dat niet eens.
Nog geen vier jaar later was de fusieparochie ‘Breda-Noord’, per 1 januari 1994, een feit, althans kerkjuridisch. Pastoor Jac. Brooijmans van de oude Belcrumparochie werd – tot zijn emeritaat in 2003 - pastoor van de nieuwe parochie.

Jarenlange afslanking veranderde in een crash-dieet

Voor wat betreft de kerkgang bleef alles nog even bij het oude. De gebedshuizen met pastorieën op het Belgiëplein, Pastoor Pottersplein (Christus-Koning), aan de Steendorpstraat (Menswording) en Bernard de Wildestraat (H.-Kruis) stonden er nog. Maar de ontluistering van het kerkelijk leven zette zich genadeloos voort. Een parochie draaiende houden, becijferde het diocees destijds, vergde één à anderhalve ton per jaar, een bedrag dat de parochianen zelf moesten, maar niet konden opbrengen. Alleen al bij het bisdom stonden de vier parochies voor anderhalf miljoen gulden in het krijt. Het kon zo niet langer doorgaan. De afslanking van de voorbije decennia veranderde in een crash-dieet

foto10
Eucharistieviering met pastoor Van Zandwijk, omstreeks 1980. Het altaar van Gerard Heman komt hierop goed uit.

Binnen vijf jaar waren vier gebedshuizen aan de eredienst onttrokken en kerkten alle rk-gelovigen van de Hoge Vucht vanaf zondag 28 november 1999 in de H.-Franciscus. Die had daartoe sinds de Pasen een ingrijpende inwendige verbouwing ondergaan. Het interieur, dat een kwartslag was gedraaid, telde nu driehonderd zitplaatsen. De inventaris was uitgebreid met stukken uit de gesloten bedehuizen: het altaar van de H.-Kruiskerk, de stoelen en het orgel van de Christus-Koning en het Antoniusbeeld en de paaskandelaar van de Menswording. Ook de officiële eerste stenen van de gesloopte zusterkerken uit de Belcrum en Geeren-Noord en een (zeer forse) hoeksteen van de Goede-Herderkerk kregen mettertijd een plaats achterin de Franciscus.

Om twee heel verschillende redenen kon de H.-Franciscuskerk de dans ontspringen: enerzijds door de centrale ligging van het Belgiëplein in het noordelijk stadsdeel, anderzijds uit geldgebrek. De verkoop van de vier gesloten kerkgebouwen bracht niet genoeg op om de bouw van vurig gewenst administratief en pastoraal-liturgisch centrum te kunnen bekostigen. Daarmee bleef de Franciscusparochie het pijnlijk traumatische kerkverlies bespaard waarmee de andere wel te kampen kregen.

foto11
De pastores van fusieparochie Breda-Noord in 2000; vlnr. Gerrit Pouw, Marianne van Maasacker en Jac. Brooijmans.

De H.-Kruiskerk (uit 1965) was medio ’98 al verkocht aan Woningbouwvereniging Volkshuisvesting Breda. Op de locatie verrees na de sloop in 2000 zorgcentrum Huize Raffy, dat krachtens het koopcontract de torenklok van de Kruiskerk een blijvend en luidens klaar plekje in zijn tuin gaf. De nog maar 16 jaar oude Menswordingskerk (de parochie had eerst 19 jaar in een noodlokaal gekerkt!) werd in 2001 verkocht aan de christelijk-gereformeerde gemeente, die het godshuis tot Mattheüskerk omdoopte. De Christus-Koningkerk (1932) werd in 2003 gesloopt. Datzelfde jaar ging ook de in ’86 tot sporthal getransformeerde Goede-Herderkerk (uit 1960) alsnog tegen de grond. Beide panden maakten plaats voor woningbouw. 

In 1998 had het diocees de 52-jarige Gerrit Pouw uit het bisdom Utrecht tot diaken benoemd. De nieuwe parochieleider had een dertigjarige carrière in het zakenleven achter zich, toen hij – tien jaar voor zijn benoeming in Breda - een geestelijke roeping had gekregen. Dat maakte de zakenman-pastor zeer geschikt als fusiebegeleider en bouwcoördinator. De parochie Breda-Noord kreeg met een bovengemiddeld kerkbezoek van wekelijks 170 tot 250 gelovigen en een bestand van 400 vrijwilligers nieuw élan. In de zomer van 2002 viel aan vier parochianen tegelijk de pauselijke onderscheiding Pro Ecclesia et Pontifice ten deel.

Des te harder de klap: de curve daalde nog scherper

foto12
November/december 2006. Bij de grote schoonmaak na de brand in het belendende buurthuis kwamen ook de kerkramen aan de beurt.

Het bisdom en de nieuwe fusieparochie meenden voor de komende 25 jaar uit de zorgen te zijn. Zelfs een korte maar felle brand, die in de nacht van 18 op 19 november 2006 het buurthuis verwoestte en het belendende kerkgebouw grote rookschade toebracht, kon aan het moreel van de parochie geen afbreuk doen. Met een vijfweekse schoonmaakactie brachten de gelovigen hun kerkinterieur nog vóór de kerst weer op orde. (Al liet de heropening van het buurthuis nog 15 maanden op zich wachten). Des te harder de klap toen bleek dat de neergaande lijn alleen maar nóg scherper daalde. 1 juli 2013 was de H.-Augustinusparochie een feit, werd de Michaëlkerk aan het Hooghout parochiekerk en stond in de Haagse Beemden de - uiteindelijk tot twee particuliere woningen verbouwde - Bethlehemkerk te koop. In de Franciscus wordt sindsdien nog maar eenmaal per maand de eucharistie opgedragen.

Anno 2017 trekt het gebedshuis per weekend (2 vieringen) maximaal 170 van de circa 6500 Biesdonkbewoners. Van de in totaal 24.500 inwoners van de Augustinusparochie praktiseert ook maar een luttele twee à drie procent de wekelijkse kerkgang.

Desalniettemin heeft de H.-Augustinusparochie het gouden jubileum van de huidige ‘kernparochie’ het feestthema ‘Franciscus – het verhaal gaat door’ meegegeven. Noem het onwankelbaar godsvertrouwen, ongeneeslijk optimisme, desnoods de moed der wanhoop. Maar de jongste fusieparochie in de Hoge Vucht, woonplek van ruim 60 etnische groepen, ziet nog altijd een toekomst voor zich weggelegd. “We worden rijker, veelkleuriger”, stelt diaken Ben Hendriksen. “Zonder de oorspronkelijke parochianen hun positie te ontnemen, willen we meer plaats inruimen voor allochtone gelovigen Zij hebben in de veranderende Wereldkerk de toekomst.” En parochiebestuurder Hans Oomens signaleert: “Wij zien steeds vaker kinderwagens naast de vele scootmobielen in de kerk staan.”

Niet alles verdwijnt voorgoed; sommige zaken keren terug. In januari van dit jaar maakten na twee decennia weer paters hun opwachting in de (kern)parochie. Ditmaal niet paters van het H.-Hart, maar van de congregatie van Het Goddelijk Woord (Societas Verbi Divini), beter bekend als de paters van Zuiderhout. Als een nagalm van het verleden bewonen zij met intussen vijf man de pastorie op het Belgiëplein. Een van hen is waarnemend-pastoor Bert Wooning .

Hun communiteit heeft twee hoofdtaken: het leiden van de kernparochie en het ontplooien van missieactiviteiten. Jazeker, missie. Immers voor de aanwas van gelovigen op de continenten waar de Wereldkerk in volle bloei staat – Zuid-Amerika, Afrika, het Verre Oosten - is het massaal ontkerkelijkte Europa typisch een missiegebied, dat opnieuw gekerstend moet worden. Vier van de vijf paters uit de Franciscuspastorie zijn dan ook afkomstig uit de Derde Wereld. Dat verhaal gaat door.

Lees hier alle verhalen van Leo Nierse.