door Leo Nierse
4 december 2017

Ze zijn dan toch eindelijk op hun oude plek terug, de vier beelden die van 1928 tot 1966 de oude brug tussen de Nieuwe Haagdijk en de Haagweg sierden. Die brug, met aan weerszijden twee standbeelden, was de voorganger van de onlangs grondig vernieuwde Haagpoortbrug.

Menselijke figuren, drie vrouwen en een man, zijn het. Creaties van de destijds vermaarde kunstenaar Theo van Reijn (1884-1954), die ze in het bouwjaar 1928 ter plekke uit Saksisch graniet heeft gehouwen. Amsterdamse school.

De Tramsingel
De Tramsingel bij de dan nog nagelnieuwe Haagpoortbrug in 1928, met de spoorrails als woordloze verklaring van de straatnaam. (collectie Breda’s Museum)

Maar toen de 38 jaar oude brug in 1966 vervangen werd door een moderne verkeersbrug, verkasten de vier kunstwerken naar het gemeentelijk depot, wegens te ouderwets.

De Haagpoortbrug uit 1875, ca. 1905, naast de recentelijk voltooide  H.-Annakerk.
De Haagpoortbrug uit 1875, ca. 1905, naast de recentelijk voltooide H.-Annakerk.

Het granieten kwartet mocht dan ‘uit de tijd’ verklaard en tot vergetelheid gedoemd zijn, het begon een curieuze reis door de omgeving die een halve eeuw zou duren. Ze verdwenen, niettegenstaande hun gewicht van elk ruim een ton, zelfs tot tweemaal toe spoorloos uit de gemeentelijke opslag. Maar daarover zo dadelijk meer. Eerst even terug naar de voorgeschiedenis.

Aan de nieuwe Haagpoortbrug met zijn gerehabiliteerde kunstwerken - officiële onthulling begin december 2017 - zijn vier bruggen voorafgegaan. Dan rekenen we het 16e-eeuwse exemplaar niet mee, dat sinds 1546 op min of meer dezelfde plaats even buiten de Antwerpsepoort aan het eind van de Haagdijk lag.

Nadat die stadspoort bij de algehele wallensloop van 1869-’71 was geslecht, trok de stad rond 1875 de Haagdijk door tot aan de Dijklaan – dit hele stuk heette aanvankelijk Nieuwe Haagdijk – en legde er voor dik tienduizend gulden een ruim acht meter lange brug van vier meter breed in. Het brugdek bestond uit verduurzaamd dennenhout. De naam Haagpoortbrug werd vaak bekort tot Haagbrug, maar de buurt zelf sprak van de Simonsbrug, naar de familie die er vlakbij een café annex stalhouderij en vervoersbedrijf uitbaatte.

Eigenlijk kwam die brug er niet als verkeersmaatregel, maar omdat de stad hier een waterkering in de singel wilde aanleggen, om de winterse watertoevloed van de Aa of Weerijs ’ in de singel te helpen beteugelen. Gaandeweg bleek (directe) verkeersverbinding met de binnenstad echter een veel belangrijkere functie. In 1912 werd de brug tot zeven meter verbreed en vier jaar later al stelde Openbare Werken zelfs een complete vernieuwing voor, maar het bleef voorlopig bij een plan.

De Haagpoortbrug na de verlenging van 1912. Rechts het vakwerkhuis met de tramhalte Haagpoort-Princenhage. (collectie Breda’s Museum)
De Haagpoortbrug na de verlenging van 1912. Rechts het vakwerkhuis met de tramhalte Haagpoort-Princenhage. (collectie Breda’s Museum)

Totdat omstreeks 1925 het Bredase stadsbestuur een totaal andere kijk op de situatie kreeg. Twee heel verschillende factoren hadden het politiek-bestuurlijk perspectief gewijzigd: een verkeerstelling op drie singelbruggen en de ophanden zijnde annexatie van 1927.

Uit de telling, die op 22 maart 1924 was gehouden, bleek dat de slechts vier meter brede Haagpoortbrug ongemerkt een van de drukste verkeersbruggen van de stad was geworden. Ruim 3500 voetgangers, 4300 fietsers, 195 auto’s, 83 vrachtwagens en nog eens 1200 andere voertuigen waren er die dag overheen gekomen. Nauwelijks minder dan de aantallen die diezelfde dag Breda’s drukste brug, de Ginneken- of Wilhelminabrug, waren gepasseerd.

Dat kon natuurlijk zo niet langer. Te meer omdat de stad per 1 januari ’27 haar gemeentegrenzen ging oprekken. Er zou een flinke lap Princenhage bij Breda komen, waaronder een stuk Haagweg.

Alsof niet de singel maar een zeearm was overbrugd 

De Haagpoortbrug kwam dus helemaal op Bredaas grondgebied te liggen, in een directe ontsluitingsweg naar het stadscentrum, én op een steenworpafstand van het destijds nog volop in bedrijf zijnde (stoom)tramstation Haagpoort/Princenhage van de Zuid-Nederlandsche Stoomtramweg-Maatschappij ZNSM.

De Haagpoortbrug van 1928 in aanbouw.
De Haagpoortbrug van 1928 in aanbouw.

Hij zou geheel vervangen worden door een 27 meter brede betonbrug. Er gingen twee rijbanen van elk negen meter breed, twee trottoirs van drieënhalve meter breed plus een twee meter brede middengeleider overheen lopen.

De bouw, die een deuk van 50.000 gulden in de gemeentekas sloeg, was naar toenmalige begrippen een grootschalig stuk infrastructuur. In zulke gevallen plegen Bredase politici nog weleens wat overmoedig te worden, zeker wanneer er ook nog een combinatie met het openbaar vervoer in het spel is. Dan vertonen ze de kennelijke neiging het effect van de nieuwe verbindingen op de stadsontwikkeling danig te overschatten.

Nu dagdroomden de lokale politici eind jaren 1920 nog op wat beperktere schaal dan hun opvolgers van zeventig jaar later, die Breda dankzij de hsl al tot hét Internationale Knooppunt van Noordwest-Europa zagen uitgroeien. Maar de illusie van plotse grandeur als gevolg van moderne infrastructuur kreeg ook toen al het stadsbestuur in haar greep. Burgemeester Van Sonsbeeck vertolkte het ‘hoge ambitieniveau’ van de plaatselijke overheid in zijn officiële openingsspeech, toen hij de nieuwe voorziening omschreef als ‘een weldaad voor Breda, gewest én land.

Theo van Reijn aan het werk in zijn Haarlemse atelier, maart 1946  (collectie Nationaal Archief).
Theo van Reijn aan het werk in zijn Haarlemse atelier, maart 1946 (collectie Nationaal Archief).

En ook de internationale betekenis van dit inderdaad schitterende werk mag niet over het hoofd worden gezien’ (Bredase Courant 11.0.’28). Alsof niet de singel maar een zeearm was overbrugd.

In die sfeer werd besloten dat deze brug-naar-de-toekomst ook artistieke allure diende te hebben. Daarvoor zou een kunstenaar van naam in de arm genomen moeten worden. De keus viel op de toenmaals internationaal gelauwerde beeldhouwer Theo van Reijn, die al menige Nederlandse stad van zijn – veelgevraagde - straatmeubilair had voorzien. Van Reijn (wiens naam ook als Van Rijn, Van Rhijn en Van Reyn is geschreven) had in Rome en Parijs furore gemaakt en nog mooier: hij was geboren en getogen in het – recentelijk geamputeerde -   Princenhage.  Nu was Van Reijn al wel twintig jaar weg uit Brabant en had ie zich metterwoon in Haarlem gevestigd, maar nog in 1920 was hij aangezocht als hoofdrestaurator van de Grote of O.L.V.-Kerk. Het had zijn reputatie alleen nog maar versterkt, hoewel hij het eervolle aanbod had afgeslagen – denkelijk omdat het een langjarig project was, dat een schéppend kunstenaar te zeer de artistieke handen zou binden. Maar de opdracht voor de brugdecoratie nam hij wél aan.

 

Staand in een houten kotje hakte Van Rijn zijn beelden

Met ‘Ontmoeting’ als thema, ontwierp Van Reijn vier menselijke figuren, drie vrouwen en een man, voor op de hoeken van de brug. Boven elk van de figuren torende een voor die tijd hoogst moderne elektrische straatlantaarn van koper uit. Aan de Princenhaagse kant links op de brug kwam de mannenfiguur, die een aanvliegende vogel omvatte; rechts een vrouw, die een watervogel ontmoette. Zij zouden de denkbeeldig arriverende passant symbolisch in de stad verwelkomen. Aan de Bredase brugzijde zou de vertrekkende passant worden uitgezwaaid door de andere twee vrouwen, omringd door wegvliegende vogels.

De vier standbeelden die Theo van Reijn in de zomer van 1928 op de brug uit Saksisch graniet hakte. De koperen lantaarns, die niet van zijn hand waren, zijn na 1966 zoekgeraakt.
De vier standbeelden die Theo van Reijn in de zomer van 1928 op de brug uit Saksisch graniet hakte. De koperen lantaarns, die niet van zijn hand waren, zijn na 1966 zoekgeraakt.

Extra attractief was dat Van Reijn de beelden niet in zijn Haarlemse atelier zou vervaardigen, maar op de brug zelf.

De Haagpoortbrug, kort na de officiële opening op 9 juni ’28.  Aan beide zijden hangen de vlaggen nog in top. Rechts op de brug heeft Theo van Reijn het houten kotje opgetrokken waarin hij zijn eerste beeld houwt. Net als tijdens de opening regent het nog steeds.
De Haagpoortbrug, kort na de officiële opening op 9 juni ’28. Aan beide zijden hangen de vlaggen nog in top. Rechts op de brug heeft Theo van Reijn het houten kotje opgetrokken waarin hij zijn eerste beeld houwt. Net als tijdens de opening regent het nog steeds.

Zaterdagmiddag 9 juni 1928, een dag van aanhoudende hoosbuien, werd de nieuwe Haagpoortbrug rond drie uur door de burgemeester in gebruik genomen, gadegeslagen door een op beide oevers samengedromde mensenmassa, die manhaftig de pijpenstelen trotseerde.

Kort nadien ging Van Reijn al aan de slag. Hij begon met de ‘man’, recht tegenover het ZNSM-tramstation  op de hoek Haagweg-Tramsingel (later de locatie van het BBA-hoofdkantoor). Om het blok graniet waaruit hij de figuur zou houwen, bouwde hij een houten kotje, om beschut tegen de elementen te kunnen werken. De voortgang van het brugverkeer zal er ook mee gediend zijn geweest, want die 3500 voetgangers en 4300 fietsers per dag moesten natuurlijk niet bij de werkende kunstenaar blijven hangen. In de zomermaanden voltooide Van Reijn, die voor elk beeld zijn kotje verplaatste, zijn opdracht: eerst op de westelijke over, daarna aan de stadse kant.

 

Binnen 20 jaar was de nieuwe brug al aan grondig herstel toe

Toch was de met hoge verwachtingen volgestapelde brug in nog geen twintig jaar aan grondig herstel toe. Van Reijn viel niets te verwijten, het euvel betrof de constructie. Breda had voor te weinig geld op de eerste rang willen zitten. De nieuwe brug rustte deels op de onderbouw uit 1875 (!) en had bovendien een te lage doorvaartboog. De twee meter hoge doorstroomopening kon in de regenrijke maanden de overmatige toevloed van hemelwater niet verstouwen. Dat veroorzaakte elders overstromingen. Het waterschap had daarover al een jaar vóór de bouw aan de bel getrokken, maar Breda had dat vorstelijk genegeerd.

Bovendien ‘knaagde’ het kolkende singelwater, dat zich onder de brug door moest persen, aan het brugfundament. Na twee winters met zeer hoge rivierwaterstanden, viel in ’47 een prijzig brugherstel (à 35 mille) niet langer uit te stellen.

De  vordering van de Haagpoortbrug in de zomer van 1928. 1). Het eerste beeld staat voltooid op de brug. 2).Het houten kotje is naar de andere brugzijde verplaatst; Van Reijn houwt het tweede beeld. 3). Nog onbewerkt blok graniet voor het derde beeld. 4). De nog lege plek van het vierde beeld. 5). De veel te lage doorstroomopening.
De vordering van de Haagpoortbrug in de zomer van 1928. 1). Het eerste beeld staat voltooid op de brug. 2).Het houten kotje is naar de andere brugzijde verplaatst; Van Reijn houwt het tweede beeld. 3). Nog onbewerkt blok graniet voor het derde beeld. 4). De nog lege plek van het vierde beeld. 5). De veel te lage doorstroomopening.

Maar pas wéér 19 jaar later werd het doorstromingsprobleem definitief opgelost met de bouw van de moderne verkeersbrug in 1966. Die had op zijn beurt ook weer zo’n moeizame voorgeschiedenis. Openbare Werken had al vier jaar op algehele vervanging aangedrongen, voordat de politiek eraan wilde. Uiteindelijk kwam die brug er voor dik een half miljoen gulden, dankzij een zeer forse subsidie van het ministerie van Landbouw, dat eindelijk weleens af wilde van de jaarlijks onderlopende landerijen in het westelijke buitengebied.

Bij die laatste onderneming in 1966 verdwenen dus ook de standbeelden van Theo van Reijn. Bij de bouw in ’28 was de kunstenaar niet bezweken voor de bestuurlijke aandrang zijn creaties uit het toen modieuze - en goedkopere - zandsteen te hakken. Hij had zich niet door zijn opdrachtgevers van de wijs laten brengen, maar volhard in zijn voornemen Saksisch graniet te gebruiken. Aan die artistieke koppigheid is het te danken, dat de onverwoestbare kunstwerken nu nagenoeg ongeschonden op de (zesde) Haagpoortbrug zijn teruggekeerd. Want er is de afgelopen halve eeuw zo nonchalant met de vier kunstwerken omgesprongen, dat ze in kalksteen niet hadden ‘overleefd’.

De versmade kunst lag amper herkenbaar onder composthopen

De sculpturen werden zoals gebruikelijk afgevoerd naar de gemeentewerf aan de Slingerweg. Later verhuisden ze mee naar het Steenen Hoofd en bleven daar een jaar of twintig staan, tot ze geruisloos verdwenen. Dertig jaar later vond het Breda’s Museum de sculpturen terug in Achtmaal. Ze verfraaiden er de oprijlaan naar het riante buitenhuis van een Bredase hoofdambtenaar, die zich rond zijn pensionering bij Openbare Werken de kunstwerken had toegeëigend.

Nadat de gemeente haar eigendommen rechtens had teruggevorderd, belandden de beelden zolang in een loods op het terrein van de Gemeentekwekerij aan de Kadijk. Ideeën om de standbeelden te herplaatsen op de indertijd net nieuwe brug in de Koningin Emmalaan of anders op de toen nog te vervangen singelbrug in de Claudius Prinsenlaan haalden het niet. Het fiere ensemble werd mettertijd van de loods naar het achterterrein van de kwekerij verbannen en raakte andermaal in vergetelheid. Alleen niet bij het museum.

In maart 2001 ‘versprak’ een van de conservators zich tegen een stadsverslaggever van Dagblad BN DeStem. De journalist ging op onderzoek uit en trof de beelden half begraven onder de gemeentelijke composthopen aan. Zwaar bemost en bemodderd, waren Van Reijns scheppingen nog amper herkenbaar, maar nog altijd intact.

De aandacht in de pers wekte het granieten viertal uit zijn 35-jarige coma en ook het stadsbestuur schoot wakker. Drie dagen na het nieuwsbericht waren de langversmade werken al tevoorschijn getakeld en overgebracht naar de destijds nog niet verwoeste binnenplaats van kunstencentrum De Beyerd (nu Stedelijke Museum Breda). Daar werden ze grondig gereinigd en à l’ improviste voor zes weken opgenomen in een net geopende expositie. Vervolgens heeft Breda’s Museum de standbeelden nog geruime tijd op zijn binnenplaats aan de Keizerstraat geëxposeerd, waarna ze in het museumdepot belandden.

In de loop van 2015 besloot het stadsbestuur tot reconstructie van het traject Nieuwe Haagdijk-kop Haagweg. Dus inclusief de singelbrug, die met de constructie zelf nog geheel intact van een nieuwe bovenbouw voorzien zou worden. In de raadscommissie Ruimte, waarin het daartoe strekkende Collegevoorstel werd behandeld, herinnerde iemand zich de beelden die ooit op de brug hadden gestaan. Of het een idee was ze hun oude plek terug te geven? Maar ja, waar waren ze eigenlijk gebleven? Daar wist commissielid Hanna Buda, getrouwd met oud-museumdirecteur Jeroen Grosfeld, het antwoord wel op: in het museumdepot, dus. Vandaaruit zijn ze na de reconstructie in september en oktober 2017 naar de Haagpoortbrug gebracht.

Terugkeer na 51 jaar. De beelden van Theo van Reijn, gevat in Amsterdamse Schoolachtig retrometselwerk, in hun nieuwe opstelling midden op de gereconstrueerde Haagpoortbrug, november 2017. (foto Leo Nierse)
Terugkeer na 51 jaar. De beelden van Theo van Reijn, gevat in Amsterdamse Schoolachtig retrometselwerk, in hun nieuwe opstelling midden op de gereconstrueerde Haagpoortbrug, november 2017. (foto Leo Nierse)

Daar staan de vier standbeelden nu midden op, paarsgewijs op twee denkbeeldige diagonalen, gevat in retro-metselwerk van baksteen. Vier 90-jarigen, drie vrouwen en een man. Ditmaal niet verdeeld over de hoeken, maar in het midden van de brug, met een langgerekte houten zitbank ertussenin. In die nieuwe opstelling is Van Reijns oorspronkelijke idee van de Ontmoeting verloren gegaan.

Ook de koperen lantaarns ontbreken. Die zijn sinds hun verwijdering van de brug spoorloos verdwenen. Maar hoewel ze deel uitmaakten van Van Reijns totale ontwerp, waren ze niet van zijn hand. Ze werden vervaardigd door de hoofdstedelijke firma Winkelman.

Kortom, de geschiedenis heeft zich weer eens herhaald, maar – zo leert die ook –ze keert nooit helemaal in dezelfde vorm terug.

 

Lees hier alle verhalen van Leo Nierse.