door Leo Nierse
16 april 2018

Huizen in ’t Valleke, het moet niet gekker worden! Maar - ook al kan de moderne Bredanaar het zich maar moeilijk voorstellen - ze stonden er écht. En niet zomaar huizen - kásten van huizen! Drie in totaal. Het laatste verdween pas kort voor de vorige eeuwwisseling, in 1895.
In een korte serie passeren ze hier één voor één de revue.

De enige eigentijdse afbeelding van de Huysinghe Valkenbergh. Uitsnede uit Breda’s oudste stadspanorama ca. 1520.
De enige eigentijdse afbeelding van de Huysinghe Valkenbergh. Uitsnede uit Breda’s oudste stadspanorama ca. 1520.

Nassaugravinnen trokken zich stilletjes terug in eigen paleisje

Het was Johanna van Polanen (1392-1445), de eerste Bredase Nassaugravin, die op het idee kwam op deze locatie te gaan wonen. Vergezocht was dat niet, want ze ging gewoon op eigen grond bouwen: in de hof van de heren van Breda, de latere kasteeltuin. Op het Kasteel zelf, dat aanvankelijk slechts een militaire functie had, woonde de grafelijke familie toen nog niet. Ze hadden een riante stadsvilla, de Herberghe van de heer, die Johanna’s grootvader Jan II van Polanen halverwege het kasteel en de Grote Kerk had gebouwd aan de latere Reigerstraat.

Gedeelte van de plattegrond van Breda anno 1300 uit Th. Van Goor.
Gedeelte van de plattegrond van Breda anno 1300 uit Th. Van Goor. Deze schematische weergave maakt de ‘privézone’ van de heren van Breda tussen Kasteel en Gasthuispoort inzichtelijk, evenals de ligging van het Valkenbergh-complex tussen Katerstraet en stadsmuur en de verbinding met het Kasteel.

Nu hadden de Polanens en Nassaus  de noordrand van het laatmiddeleeuwse Breda als hun privédomein. Dat was het gebied tussen het havenwater en de (oudste) stadspoort aan het Gasthuiseinde (kop Boschstraat). Daarin lagen behalve de waterburcht en de ‘Herberghe’,  ook hun grafkapel (de Grote Kerk), de oorspronkelijke begijnenhof (benoorden de huidige Cadettenflat) en een tuin met agrarische functies, de hof.

Dat hele domein was direct bereikbaar door de oostelijke stadspoort. Als toegangsweg van het Kasteel werd in 1355 over een oudere route de Katerstraete (Catharinastraat) aangelegd, samenvallend met de bouwstart van de Herberghe. Deze nieuwe straat vormde tevens de zuidelijke grens van die privézone, die noordelijk door de laat-14e -eeuwse stadsmuur werd begrensd.
Daar middenin lag dus de latere kasteeltuin, genoemd naar het vogelhuis waarin de heren van Breda hun jachtvalken opborgen. Van de zuidelijker gelegen Sandtstraete (= Ridderstraat + St.-Janstraat) liep een pad, langs een grote hoeve, naar de Katerstraete. Dat was de Valckenberghestege. Aan het eind daarvan bouwde gravin Johanna in de jaren ’20 en’30 van de 15e eeuw een stenen stadsvilla, de huysinghe Valkenbergh. Een tweede ‘herberg’ zogezegd, maar dan wel helemaal voor haar zelf.

Het geschilderde stadspanorama van Breda circa 1520
Het geschilderde stadspanorama van Breda circa 1520, waaruit (t.h.v. de boomstam rechts op het schilderij) de uitsnede van Huis Valkenberg is genomen die boven dit artikel staat (foto Collectie Breda’s Museum). 

Het voormalige kindvrouwtje, dat al op haar 11e jaar was uitgehuwelijkt aan de dik 20 jaar oudere graaf Engelbrecht I van Nassau, wilde kennelijk wat regie over haar leven terug. Door hun echtverbintenis (1403) had de erfdochter van het enorme Polanenkapitaal de armlastige Duitse edelman eerst tot een gefortuneerd man gemaakt. En in oktober 1420 had ze hem voor de zesde keer in tien jaar een kind geschonken. Kennelijk vond de 28-jarige Johanna het zo wel genoeg, want daar bleef het bij. Het was, zal ze besloten hebben, hoog tijd om weer eens aan zichzelf toe te komen. In de altijd drukke Herberghe ging dat sowieso niet lukken.

De Valkenbergh moet een flink complex zijn geweest. Een grondradar-onderzoek door gemeentelijke archeologen in september 2008 heeft weliswaar niet meer dan wat funderingen van bijgebouwen aangetoond in het gazon achter de huidige park-entree aan de Catharinastraat. Maar blijkens eerdere opgravingen en volgens een ruim 20 jaar oude reconstructie op grond van historische bronnen, moet het terrein zo’n honderd meter breed zijn geweest.
Afgezet tegen de huidige bebouwing, heeft het zich achter de huisnummers 13 t/m 87 uitgestrekt. Dat is een traject dat loopt van halverwege het appartementencomplex van eind jaren 1990 tot en met het ‘Hendrikspand’ met de middeleeuwse kloosterbogen. Let wel, het huidige Begijnhof lag niet in de weg; dat werd hier pas een eeuw later, onder meer met restanten van het huis Valkenbergh, gebouwd.

Impressie van de noordelijke stadsmuur ter hoogte van Huis Valkenbergh
Impressie van de noordelijke stadsmuur ter hoogte van Huis Valkenbergh, achter de toren waarvan de opgemetselde fundamenten nog altijd in het park liggen.

Tussen de toen nog houten huizen aan de noordzijde van de Katerstraete liet Johanna - in het verlengde van de latere St.-Annastraat - een smalle, stenen dienstwoning optrekken. Ernaast lag een drie meter breed pad dat op de toegangspoort van de circa één hectare metende kasteelhof uitkwam.

De villa zelf was langwerpig: zo’n twintig bij tien meter. Een grote zaal, waar de gravin ontvangsten kon houden, domineerde het interieur van de grondetage, waar ook een grote keuken was. De woonvertrekken lagen op de eerste verdieping, onder een zolder die grotendeels als graanopslag gediend zal hebben. Zoals te zien is op de enige eigentijdse afbeelding van het complex (het hierboven afgebeelde, geschilderde stadsgezicht ca. 1520), stak huis Valkenbergh met zijn trapgevel en hoge kap (in twee niveaus) fors boven de omgeving uit. Vlak achter het pand rees de stadmuur op die dwars door het huidige park liep. Ter hoogte van de villa was daarin een muurtoren opgenomen. 

In 1986 werd het fundament van de stadmuurtoren achter Huis Valkenburgh opgemetseld. Linksboven de westmuur van het Begijnhof, op de achtergrond de park-entree aan de Catharinastraat.
In 1986 werd het fundament van de stadmuurtoren achter Huis Valkenburgh opgemetseld. Linksboven de westmuur van het Begijnhof, op de achtergrond de park-entree aan de Catharinastraat.

Johanna’s domein kon zich grotendeels zelf bedruipen. Op het omgrachte terrein graasden enige koeien en ossen, er stonden een brouwhuis, een badhuis (stoofje), een bakhuis, personeelsvertrekken (maagdenhuis) en stallen. Verder lagen er een sier- en/of kruidentuin en, bij de muurtoren (zie het opgemetselde torenfundament in het huidige park) een visvijver of wijer.

Alleen gewassen werden niet op de Valkenbergh verbouwd. Dat gebeurde op de Bouwerij van de heer, aan de overkant van de stadsgracht benoorden de huidige Boschstraat.

Voor haar geestelijk voedsel kon de gravin alweer dichterbij terecht; ze hoefde slechts de smalle scheidingsgracht over naar de Wendelinuskapel (Waalse Kerk), die zij in diezelfde jaren (1429-’40) in aanbouw had. De kapel had eveneens een graanzolder.

Ook het Kasteel was direct bereikbaar. Langs de binnenzijde van de stadsmuur liep Johanna, achter het toenmalige begijnhof langs, naar de brug over de slotgracht.

Johanna van Polanen en Johanna’s schoondochter Maria van Loon en Heinsberg
Links: Johanna van Polanen, zoals uitgebeeld op het praalgraf van Engelbrecht I van Nassau in de noordelijke koorgang van de Grote Kerk. Daarnaast: Johanna’s schoondochter Maria van Loon en Heinsberg. Zij woonde het langst in Huis Valkenbergh, van 1445 tot 1502 (fragment van hetzelfde grafmonument).

De rust van Johanna’s woonplek trok ook haar schoondochter, Maria van Loon (1426-1502), aan. De eega van Johanna’s oudste zoon, Jan IV van Nassau, logeerde vaak op de Valkenbergh, wanneer de jonge graaf – die in 1442 zijn overleden vader Engelbrecht I was opgevolgd - weer eens langdurig van huis was, om ofwel voor de Bourgondische hertog diplomatieke of militaire klussen te klaren, dan wel vanuit de Dillenburg het uitgestrekte Duitse Nassaubezit te bestieren. Dan was het bij schoonmama een stuk gezelliger.

Toen Maria, twintig jaar na Johanna’s dood in mei 1445, zelf weduwe werd, verkaste ze dan ook voorgoed naar het huis Valkenbergh, dat intussen als vrouwengoed te boek stond. Jan IV had Maria drie jaar eerder gevraagd of zij de Herberghe of de Valkenbergh wilde erven. Dat was geen moeilijke keus geweest voor de Vrouwe, die bekend stond om haar hang naar sereniteit.

In het jaar van haar definitieve verhuizing splitste Maria het poortgebouw (huidige pand Catharinastraat 13) van haar bezit af en schonk het aan het door haar opgerichte klooster van de Grauwe Zusters. Tot aan haar overlijden in 1502 bleef de douairière met vijf hofdames op Valkenbergh wonen.

Maria’s schoondochter Cimburga van Baden , uitgebeeld op het praalgraf van Engelbrecht II in de Prinsenkapel van de Grote Kerk.
Maria’s schoondochter Cimburga van Baden , uitgebeeld op het praalgraf van Engelbrecht II in de Prinsenkapel van de Grote Kerk.

Overigens erfde haar oudste zoon, Engelbrecht II, in 1478 de westelijke helft van het complex, maar gewoond heeft hij er niet. Als nieuwe graaf nam hij met zijn vrouw, Cimburga van Baden, zijn intrek op het Kasteel, dat zijn vader tussen 1450 en ’62 met een uitbreiding in Brabants-gotische stijl voor bewoning geschikt had gemaakt. Maar de praalzieke Engelbrecht zou zijn voorvaderlijke woonstee al ras versmaden voor niets minder dan de top van de Bourgondische apenrots: het Hof van Brussel, gelegen op de Coudenberg (waarop het huidige Koningsplein ligt). Naast het hertogelijk paleis bouwde hij een stenen huis uit 14e-eeuws familiebezit uit tot zijn eigen paleis, het imposante Hôtel de Nassau.

Ver van de Brusselse (kouwe) drukte bleven de Nassauvrouwen hun ingetogen leven in Huis Valkenbergh leiden. Engelbrechts eega Cimburga, zelf als nicht van twee Europese keizers het drukke hofleven toch wel gewoon, ging er vaak logeren. Zo ook de jonggestorven Françoise van Savoye, de eerste vrouw van Engelbrechts opvolger en neef, Hendrik III van Nassau. In het vrouwendomein overleed Françoise in september 1511 en werd van hieruit in de Grote Kerk begraven (haar gebeente rust in de crypt onder het grafmonument van Engelbrecht I in de noordelijke kooromgang, tegenover de Prinsenkapel).

In het poortgebouw woonde intussen een beschermelinge van Maria van Loon. De oude gravin had zich ontfermd over Trijntje (Catharina van Nassau), een wettige dochter van een Nassaubastaard uit de tak Detzen (Trier). 

Graaf Hendrik III van Nassau (links) ontving in Breda de Habsburgse keizers Maximiliaan I (midden, houtsnede Albrecht Dürer 1518) en Karel V (paneel Bernaert van Orley 1519).
Graaf Hendrik III van Nassau (links) ontving in Breda de Habsburgse keizers Maximiliaan I (midden, houtsnede Albrecht Dürer 1518) en Karel V (paneel Bernaert van Orley 1519). Beiden logeerden in Huis Valkenbergh.

We zouden haar een ‘stiefnichtje’ van Maria kunnen noemen, aangezien Trijntjes vader ofwel door Maria’s schoonvader Engelbrecht I dan wel diens broer Hendrik van Nassau was verwekt. Vanaf 1478 ontving Trijntje van Maria een jaarrente en na Maria’s dood mocht zij de vroegere personeelsverblijven – het poortgebouw en maagdenhuis - bewonen. Zij stierf er in 1524. Wellicht is ook zij - evenals Maria, Cimburga en Françoise - bijgezet in die Nassaucrypt tegenover de Prinsenkapel (bij het jongste grafonderzoek in 1995 zijn namelijk niet alle in de kelder aanwezige overschotten geïdentificeerd).

Hendrik III, die trouwens óók vaker op de Coudenberg dan op de Markoever woonde, hield de Valkenbergvilla in zoverre in ere, dat hij er tot twee maal toe een keizerlijke gast te logeren legde. In 1508 overnachtte de Duitse keizer Maximiliaan I van Oostenrijk hier, tijdens een meerdaags bezoek aan Breda. In 1517 verbleef de toekomstige keizer Karel V er ook. Maar daarna raakte huis Valkenbergh steeds verder in onbruik.

Tegenover de westelijke muur van het Begijnhof legden Bredase archeologen in 1976 het fundament bloot van de toren in de stadsmuur achter Huis Valkenbergh.
Tegenover de westelijke muur van het Begijnhof legden Bredase archeologen in 1976 het fundament bloot van de toren in de stadsmuur achter Huis Valkenbergh.

In 1531 ruimde Hendrik III de ouwe meuk op. Hij zou het Kasteel door een hypermodern paleis-binnen-een-citadel vervangen en daarbij hoorde wat hem betrof ook een paleistuin naar Italiaans model. Het oorspronkelijke begijnenhof ‘schoof’ hij daarom op van de huidi–ge park-entree Kasteelplein naar de tegenwoordige locatie: de zuidoosthoek van de kasteelhof. Daartoe moest het oude vrouwengoed het veld ruimen. Met het sloopmateriaal van de villa kon ten minste een deel van het nieuwe Begijnhof worden opgetrokken. En wellicht is huis Valkenbergh zelfs deels in die nieuwe bouwconstructie opgegaan. Er is weleens geopperd dat de oostelijke buitenmuur van Johanna’s stadsvilla als enige overeind is blijven staan en nu de scheidingsmuur tussen het grote en kleine Begijnhof vormt. Maar dat moet nog eens verder worden onderzocht.

 

Wordt vervolgd...

Lees hier alle verhalen van Leo Nierse.